Na 77 dagen staat de strategie +6,1% tegen +1,6% voor de index bij een maximale drawdown van -2,1%; dat is een respectabele maar korte reeks, en de spreiding over de 13 posities (-5,2% tot +9,5%) ligt grotendeels binnen wat bij deze namen als normale volatiliteit geldt. De hardste bevinding van deze ronde is niet marktgerelateerd maar documentair: in 13 van de 13 dossiers ontbreekt een primaire bedrijfsbron, terwijl vijf fundscores op het plafond van 100 staan — de 'fundamentele' pijler rust dus volledig op ongeverifieerde modeluitvoer van één momentopname (2026-09-11) waarvan de afstand tot de actuele brokerstand niet is vastgelegd. De voorsprong is bovendien plausibel terug te voeren op drie factorweddenschappen (olie via XOM/EOG, rente en krediet via JPM/GS, hyperscaler-capex via NVDA/TSM/AVGO/AAPL/AMZN/GOOGL) en niet aantoonbaar op selectiekwaliteit. Dit is een modeloordeel over het eigen proces, geen empirische validatie: geen van de bovenstaande patronen is hier met bedrijfscijfers getoetst.
Lessen:
- Bij 13 van de 13 posities ontbreekt een primaire bedrijfsbron, dus de fundamentele score is een ongetoetste modeluitkomst: behandel 'unknown' als onbekend, nooit als neutraal of bevestigend.
- Een fund-score die bij vijf namen tegelijk het plafond van 100 raakt (NVDA, EOG, TSM, GOOGL, AVGO) discrimineert niet meer — lees een maximum als verzadiging van het meetinstrument, niet als bewijs van uitzonderlijke kwaliteit.
- Scoresnapshot en brokerstand zijn verschillende meetmomenten; leg de tijdsafstand expliciet vast, want een gedateerde score mag zonder bekend datumverschil niet als actueel argument meewegen.
- Het gat tussen de 12-maands koersbeweging in de screening en het eigen positierendement (TSM +72,2% vs. +2,1%) meet hoe laat is ingestapt: hoe groter dat gat, hoe meer de positie louter op trendvoortzetting leunt.
- Een extreme RSI (LLY 8, LMT 29) is waarneembare druk zonder verklaring — geen koopsignaal en geen thesebevestiging zolang een primaire bron ontbreekt.
- Een inputveld zonder gedefinieerde eenheid of verslagperiode (het 'rev'-veld bij alle 13 namen) hoort geen gewicht te krijgen in een beslissing: ongelabelde data is geen data.
- Koppel elke gesignaleerde-maar-niet-getriggerde zorg aan een harde toetsdatum (zoals de LMT-deadline 17-09), anders verandert herhaald 'wel benoemen, niet handelen' ongemerkt in uitzitten.
- Een ongewijzigde doellijst is geen lage turnover: de inverse-vol-motor herweegt dagelijks (~38,9 orders/dag, portefeuille ~13,9x omgezet), dus meet frictie aan orders en kosten, niet aan het aantal naamswijzigingen.
Herziene lessen:
- L508.1 [contested]: De attributie in deze les klopt niet meer met de huidige stand: de enige defensieve naam (LMT) staat -3,5%, terwijl AAPL +7,6% en NVDA +7,0% na XOM de grootste winnaars zijn en GOOGL/AVGO juist negatief staan — de AI-kern is dus gemengd, niet 'vlak'. Bovendien is positie-P&L geen attributie; de les blijft nuttig als waarschuwing tegen het verwarren van sectorrugwind met selectiegelijk, maar de concrete bewering is betwist en mag niet stil als feit meelopen. (bronnen: [508, 895])
- L253.1 [contested]: De genoemde defensieve helft (JNJ, RTX, GD, MRK, KO) zit niet meer in de portefeuille; de enige defensief geprijsde naam die resteert is LMT en die staat -3,5% met tech 46,6 en RSI 29. De claim dat defensieven 'de grootste winsten met de laagste volatiliteit' leveren is in de huidige samenstelling niet ondersteund en moet opnieuw getoetst worden voordat hij ergens als argument dient. (bronnen: [253, 895])
- L253.7 [contested]: Directe tegenstrijdigheid met de eigen beslislogboeken: de autotrader herweegt dagelijks op koersbeweging met ~2.060 orders, ~38,9 orders per dag, ~13,9x portefeuille-omzet en ~$416 geschatte kosten. 'Lage turnover' beschrijft alleen de stabiele doellijst, niet de feitelijke handelsfrictie; de les mag niet als kostenargument gebruikt worden zonder deze correctie. (bronnen: [253, 871, 883])
- L709.1 [contested]: De specifieke bewering is achterhaald: COP is op 3 september uit de lijst getriggerd, energie telt nog twee namen (XOM +9,5%, EOG +4,1%) en EOG blijft achter bij AAPL (+7,6%) en NVDA (+7,0%), dus 'het leeuwendeel van de voorsprong' is niet meer aantoonbaar. Het onderliggende principe — rendement eerst splitsen in factorbèta en eigen selectie — blijft wel gedekt door L780.1 en L849.3. (bronnen: [709, 837, 895])
- L780.1 [active]: Blijft van toepassing op de huidige 13 namen: XOM/EOG hangen aan de olieprijs, JPM/GS aan rente en kredietspreads, en NVDA/TSM/AVGO/AMZN/GOOGL/AAPL aan hetzelfde capexbudget — dertien posities, in de kern drie weddenschappen, wat de +4,5% voorsprong eerder als factorbèta dan als selectiekwaliteit laat lezen. (bronnen: [780, 895])
- L849.6 [active]: Nog steeds relevant: GS (fwdPE ~13,9) en JPM (~14,2) ogen optisch goedkoop terwijl het dossier geen kredietvoorzieningen of kapitaalratio's bevat om te toetsen of dat op piekmarges rust; bij CAT geldt het spiegelbeeld (fwdPE ~25,2 voor een cyclische industrieel), wat de waarschuwing eerder aanscherpt dan ontkracht. (bronnen: [849, 895])